6
Ik bleef drie dagen non-stop in bed. Mijn slapeloosheid was genezen, nu had ik de tegenovergestelde aandoening. Het enige wat ik wilde was wegzakken in een diepe, droomloze slaap. Ik hield mijn luiken dicht zodat de duisternis en de stilte zich om me heen wikkelden. Ik zette mijn telefoon uit, liet mijn post ophopen in de gang en sliep uren en uren achter elkaar, werd alleen wakker om nog een deken uit mijn kast te trekken en boven op de rest te leggen of een slokje uit het glas water op mijn nachtkastje te nemen. Als een ernstig gewonde patiënt die met medicijnen in coma wordt gehouden om het genezingsproces te versnellen, genas mijn lichaam zichzelf, haalde me uit de realiteit van de pijn en bracht me naar de gelukzalige verlichting van slaap.
Eén keer hoorde ik iemand op mijn deur bonzen, maar ik trok mijn kussen over mijn hoofd en uiteindelijk gingen ze weg. Ik dook weer terug in de slaap, de uren leken seconden, mijn uitgeputte lichaam weekte in de rust.
Op de vierde dag redde ik het om met kleine, voorzichtige stappen vanuit mijn bed het bad te bereiken. Ik liet de lichten gedimd, vulde mijn bad met bijna ondraaglijk heet water en goot er een hele fles Molton Brown-badschuim in. Ik nam een kop kamillethee met honing mee in bad en bleef er een uur in liggen. Mijn hoofd was nog verdoofd. Alleen al het zetten van de thee en het vullen van het bad hadden me weer helemaal uitgeput.
Ik lag in bad en dacht aan niets dan de patronen die mijn vingers maakten terwijl ze doelloos de bellen achtervolgden. Ik voelde me afgezonderd van alles, als een breekbaar porseleinen kopje dat in lagen krantenpapier was gerold en tussen stukken bubbeltjesplastic was gewikkeld. Niets kon me raken in mijn kleine appartement, ik was veilig en beschermd en warm. Mijn vingers werden zacht en rimpelig. Ik trok de stop eruit, trok een oud T-shirt aan en waggelde terug naar bed. Mijn bewegingen waren zo langzaam als die van een oude vrouw.
Uren later werd ik wakker doordat ik de deur van mijn appartement hoorde opengaan.
Ik had geen energie om me te verroeren. Als het een inbreker was, mocht hij alles meenemen als hij mijn bed maar liet staan. Ik wilde er voor altijd in blijven liggen, mijn armen om mijn zachte blauwe kasjmieren kussen, mijn gedachten op een benevelde plaats waar de realiteit zich niet op kon dringen.
‘Mevrouw Rose?’
Het was de conciërge van mijn appartementencomplex.
‘Bent u daar?’
De meeste conciërges waren zo nichterig als maar kon, met de vereiste gouden kettingen en veel te ver open geknoopte overhemden. De mijne was een kansloze dichter die minder woog dan ik en had gegild als een schoolmeisje toen een bewoner in het washok een babymuis ontdekte.
‘Ik kom naar binnen, is dat goed?’
Ik deed mijn ogen weer dicht. Misschien zou hij weggaan als hij zag dat ik sliep.
‘Lindsey?’
Dat was een andere stem. Die van Matt.
Ik moet opstaan en ze een kopje thee aanbieden, dacht ik vagelijk. Maar mijn armen en benen waren te zwaar om te bewegen. Misschien zouden ze zo vrij zijn het zelf te zetten.
‘Jezus, als ze zichzelf iets heeft aangedaan…’ zei Matt.
‘Geef me die braadpan eens,’ zei de conciërge.
‘Waarvoor?’ vroeg Matt.
‘Als ze is aangevallen is de dader misschien nog binnen,’ zei de conciërge wijs.
‘Doe niet zo belachelijk,’ zei Matt. ‘Ga opzij.’
Piepend ging de deur van mijn slaapkamer open. Ik moest de conciërge vragen daar iets aan te doen. Wat handig dat hij nu hier was. Dat was het lot, of kismet. Was er eigenlijk een verschil tussen het lot en kismet? vroeg ik me af. Als dat zo was, was het een vraag voor knappere koppen dan ik.
‘Mevrouw Rose?’ schreeuwde de conciërge in mijn gezicht. ‘Kunt u me horen?’
Met heel veel moeite kreeg ik mijn ogen open.
‘Lindsey?’ Matt duwde de conciërge opzij, die zowat omviel, en verscheen aan mijn bed.
‘Hé,’ zei hij zacht terwijl hij naar me keek. Hij zette mijn tas op het bed. ‘Ik heb deze voor je meegenomen.’
Ik tilde een hand op en zwaaide zwakjes. Zwaaien was zo mooi, dacht ik terwijl ik mijn hand langzaam heen en weer zag gaan. Als je het langzaam genoeg deed en je vingers spreidde, leek je hand wel een waaier. Mensen zouden meer moeten zwaaien.
‘Hoe voel je je?’ vroeg Matt. Hij droeg een pak. Hij kwam vast rechtstreeks van… Nee! Mijn gedachten deinsden terug als een hand die je bij een heet fornuis wegtrekt. Daar wilde ik niet aan denken.
‘Goed,’ probeerde ik te zeggen, maar mijn stem was schor. Ik schraapte mijn keel en deed nog een poging.
‘Goed,’ zei ik. ‘Beetje slaperig.’
Ik sloot mijn ogen weer en begon weg te doezelen.
‘Misschien heeft ze een overdosis genomen,’ zei de conciërge. ‘Ik denk dat we haar onder de koude douche moeten zetten.’
Ik deed één oog open en probeerde kwaad te kijken.
‘Linds?’ vroeg Matt. Hij boog zich over me heen. Er zat een rode vlek op zijn das. Het leek spaghettisaus.
‘Herinner je je de gnocchi?’ vroeg ik hem.
‘De wat?’ vroeg hij en er had zich een frons op zijn voorhoofd gevormd.
‘Volgens mij zei ze Nokia,’ fluisterde de conciërge luid tegen Matt. ‘Ze wil haar mobiele telefoon. Ze zal wel afscheid willen nemen. Haar vrienden bellen en zo.’
De conciërge boog zich verder over me heen. Hij probeerde, met weinig succes, een sikje te laten groeien, zag ik. ‘Wie. Wil. Je. Bellen?’ vroeg hij en hij overdreef de uitspraak van elk woord als een leraar Engels die tegen een bijzonder domme leerling sprak.
‘Lindsey, heb je iets genomen?’ vroeg Matt.
‘Hmm?’ vroeg ik.
Matt trok de la van mijn nachtkastje open en rommelde erin, daarna liet hij zich in opdrukstand op de grond zakken en keek onder mijn bed.
‘Je hebt toch geen pillen genomen?’ riep hij even later vanuit mijn badkamer. Ik hoopte dat het hem niet op zou vallen dat ik na het badderen het bad niet had schoongemaakt. Er bestond niets ergers dan een rand in je bad.
‘Controleer haar pupillen,’ adviseerde de conciërge. Hij haalde een minuscule zaklamp uit zijn zak – hij was de enige conciërge in de stad die weigerde een gereedschapsriem te dragen – en scheen ermee in mijn gezicht.
Jezus, wat was die man irritant. Ik trok het kussen weer over mijn hoofd in de hoop dat hij de hint zou snappen en weg zou gaan.
‘Lindsey,’ zei Matt. ‘Kun je me zeggen welke dag het is?’
Ik haalde het kussen van mijn hoofd en deed mijn best om geruststellend naar hem te glimlachen.
‘Luister,’ zei ik en ik sprak zo beleefd als ik kon, ‘allebei bedankt voor jullie komst. Maar ik moet nu echt rusten.’
Dat was dat. Ik sloot mijn ogen weer.
Ik hoorde ze samen mompelen in de hoek. Het was eigenlijk best geruststellend, alsof iemand de televisie zachtjes op een soapserie had afgestemd.
‘… alleen slaappillen, maar er ontbrak er maar één…’
‘… en alcohol?’
De deur van mijn koelkast ging open en dicht, daarna hoorde ik iemand in mijn keukenkastjes rommelen. Misschien pakten ze iets te eten. Ik zou honger moeten hebben maar dat was niet zo, wat fijn was omdat dat betekende dat ik niet op hoefde te staan.
‘… ingestort. Mijn tante heeft dat ook gehad… zelfde symptomen…’
‘… ziekenhuis?’
‘… iemand bellen?’
Ik kroop dieper onder mijn dekbed, rolde me zo klein en behaaglijk mogelijk op als een klein eekhoorntje knus in het nest. Ik was weer bijna in slaap gevallen toen één zinnetje zo duidelijk en angstaanjagend als een luchtalarm dwars door de dikke mist in mijn hoofd sneed.
‘Ik heb haar adresboek gevonden,’ zei Matt. ‘Ik ga haar ouders en zus bellen.’
In één keer zat ik rechtop in bed, gooide de dekens van me af en gilde zo hard ik kon: ‘Neeeee!’
Twee uur later zat ik op mijn bank met een warme badjas om me heen en een halflege kom kippensoep met noedels op schoot. Matt had een blik in mijn provisiekast gevonden – meer was daar niet te vinden – en het opgewarmd, waarna hij had toegezien dat ik het lepel voor lepel opat. Hoewel ik misselijk werd van de geur, had ik genoeg naar binnen kunnen krijgen om hem tevreden te stellen. Hij had me ook gedwongen om te douchen en hij had de jaloezieën opengedaan. Het had gesneeuwd terwijl ik lag te slapen. De straten waren sneeuwvrij maar de boomtoppen droegen witte kantachtige mutsjes. Door het koude, felle zonlicht wist ik dat het middag was. Het had wel even geduurd voordat ik wist welke dag. Dinsdag.
‘Het gaat wel,’ zei ik voor de honderdste keer. ‘Ik was gewoon moe.’
En ik was nog steeds doodmoe, maar ik wist dat ik niet terug naar bed kon. Ik moest verder met mijn leven of wat daarvan over was. Mijn antwoordapparaat knipperde met zestien nieuwe berichten. De meeste waren van Matt, maar mijn ouders hadden waarschijnlijk ook gebeld. Misschien begonnen ze zich zorgen te maken. Ik was tenslotte de verantwoordelijke dochter die altijd dezelfde dag nog terugbelde.
‘Ik dacht dat je iets stoms had gedaan,’ zei Matt. ‘Dan zou ik je wat hebben aangedaan.’
‘Timing is niet je sterkste punt,’ zei ik.
Matt keek me even aan en glimlachte toen. Ik was dol op die glimlach, die iets te groot was voor zijn gezicht. Plotseling vestigde zich een droefheid in me die tot op het bot ging. Ik was pas negenentwintig maar ik voelde me veel ouder. Mijn huid voelde zo strak en droog als schil en mijn ogen deden zeer, alsof ik mijn leven had opgebruikt en het nu ten einde kwam. En op een bepaalde manier was dat ook zo; het leven dat ik kende was tenminste ten einde.
‘Wat ga je nu doen?’ vroeg Matt. Ik zette mijn soepkom op mijn salontafel en leunde met een zucht achterover.
‘Ik kan hier niet blijven,’ zei ik. ‘Dat kan ik niet betalen.’
‘Heb je niks gespaard?’ vroeg Matt.
‘Ze gaan in de verkoop,’ zei ik. ‘Ik wilde het kopen, maar…’
Mijn stem stierf weg toen ik mijn appartement rondkeek. Ik vond alles eraan helemaal geweldig. Mijn bank en de grote stoel waren van winterwit chenille en mijn salontafel was van de knoestige deur van een oude schuur van het platteland van New York gemaakt. In mijn slaapkamer stond alleen mijn queensize-bed met sneeuwwitte lakens en dekbed, een eenvoudig houten nachtkastje en een bladerrijke groene plant in een hoek. Het was er zo netjes en vredig als de kamer van een monnik. In mijn kast hingen mijn kleren van donkere naar lichte tinten, de houten hangers allemaal dezelfde kant op. Alles glom en blonk. Alles was netjes en geordend en perfect.
Ik haalde diep adem en ging weer verder.
‘Ik moet een nieuwe baan zoeken,’ zei ik. ‘Maar niet in New York.’
Dit had ik onder de douche besloten en ik had mijn gezicht naar de waterstraal toe gekeerd zodat Matt me niet kon horen huilen. Ik had gedacht dat de snikken zich met een vreselijk kabaal uit mijn borst los zouden wrikken, maar er biggelde maar één enkele traan over mijn wang die zich mengde met het water dat de afvoer in kolkte. Ik was te verdoofd om te huilen.
‘Maar je zei dat Dunne je een aanbeveling wilde geven,’ protesteerde Matt. ‘Je hoeft niet weg uit de stad. Je kunt overal aan de bak.’
‘Dat weet ik,’ zei ik. ‘Daarom ga ik ook naar huis.’
‘Naar Maryland?’ vroeg Matt ongelovig.
‘Ik weet dat Cheryl iedereen al heeft verteld wat er tussen Doug en mij is voorgevallen,’ zei ik. Ik had mezelf drie dagen afgeschermd, nu moest ik een flinke meid zijn en de klappen opvangen. ‘Toch?’
Matts ogen doken onder mijn blik door. ‘Cheryl kan de pot op,’ zei hij. ‘Iedereen weet dat ze een bitch is.’
‘En iedereen weet dat ik ontslagen ben. En dat betekent dat elk ander reclamebureau in de stad ook op de hoogte is. Je weet hoe snel roddels zich verspreiden. Ze gaan niet alleen naar Dunne voor een referentie, ze vragen het na bij iedereen die ze bij ons bureau kennen. Ze krijgen wel te horen wat ik heb gedaan.’
Matt zuchtte. ‘Nou en? Je hebt een foutje gemaakt. Eén miezerig foutje in zeven jaar.’
‘Een foutje,’ zei ik. Ik perste er een verstikt lachje uit dat eerder als een kuch klonk. ‘Ik heb mijn carrière verwoest en ik kan het niet fiksen. Dat is onmogelijk, Matt. Dus moet ik opnieuw beginnen. Er zijn een paar goede bureaus in D.C. Ik kan een tijdje bij mijn ouders wonen en naar de stad pendelen totdat alles geregeld is.
Matt schudde zijn hoofd. ‘Dat lijkt me geen goed idee. Je moet blijven en vechten. Over een maand is dit overgewaaid. Ga op vakantie, daarna kom je terug en zoek je een baan. Je hoeft niet te verhuizen.’
Ik staarde naar mijn schoot en dacht erover na. Had Matt gelijk? Ik zag me al beginnen bij een ander bureau, mijn intrek nemen in een ander kantoor, mijn collega’s begroeten en ze hun lachen zien inhouden en tegen elkaar horen fluisteren… Nee. Dat kon ik niet.
Ineens was ik weer terug in de eerste klas, mijn eerste maand op de middelbare school. Ik had voor mijn scheikundeleraar een briefje naar de directeur gebracht en nam een kortere terugweg door de gang waar de hogere klassen hun kluisjes hadden. Ik herinner me nog de metaalklank van die dichtslaande kluisjes, het versleten oranjebruine linoleum onder mijn voeten en de gistachtige geur van oude sokken waar de lucht mee doordrongen was. Ik stapte door de gang in mijn nieuwe Levi’s met plooien aan de voorkant, een roze shirt met bloemen en mijn eerste beha die ik eigenlijk nog zeker een halfjaar niet nodig zou hebben, vol trots dat de leraar mij had gekozen uit alle leerlingen in de klas.
‘Hé, wie ben jij?’
Een jongen maakte zich los van zijn groepje maten en versperde me de weg. Hij droeg een wit T-shirt en een spijkerbroek en hij leek een beetje op James Dean, alleen dan met een gemener gezicht.
Ik staarde hem aan met ogen die hem smeekten me erdoor te laten.
‘Ze kan niet praten,’ zei een vriend van hem.
‘Stom, zo heet dat toch?’ zei de eerste jongen, waarna hij zich naar me toe boog en vlak voor mijn gezicht met zijn vingers knipte. ‘Hé, dombo.’
‘Ik kan wel praten,’ zei ik. ‘Mag ik er alsjeblieft door.’
‘Mag ik er alsjeblieft door,’ spotte hij. ‘Helaas dombo, dat kan ik niet doen. Dit is onze gang. En jij bent een brugklasser. Dit is verboden terrein.’
‘Burgeraanhouding!’ loeide een van zijn vrienden.
‘Handen op je rug, dan vallen er geen gewonden, dombo,’ zei hij.
‘Gebruik mijn riem als handboeien,’ zei een andere gozer en hij trok hem al uit de lussen van zijn broek terwijl zijn vrienden lachten en dichter om ons heen kwamen staan.
Mijn hart begon hard te bonzen terwijl mijn ogen heen en weer schoten op zoek naar een uitweg. Ik voelde me als een dier in een val. Ook al lachten ze, die jongens maakten geen geintje; de leider had echte wreedheid in zijn tot spleetjes geknepen ogen. Er stonden nu een tiental mensen om ons heen toe te kijken zonder iets te zeggen. Waar waren de leraren? Waarom hielp niemand me?
Mijn onderlip trilde. Alsjeblieft niet huilen, bad ik in stilte. Ik wist dat dat het alleen maar erger zou maken. Veel erger.
‘Armen op je rug, alsjeblieft,’ zei de James Dean. ‘Dit is je laatste waarschuwing.’
‘Ik heb een arrestantenhok,’ zei zijn vriend en hij hield zijn kluisje open.
Ik ben altijd een beetje claustrofobisch geweest. Ik keek in die donkere, doodkistachtige ruimte en zag me er al in opgesloten zitten, roepend en gillend en jankend. De bel voor de volgende les ging bijna dus de leraren zouden hun deuren dicht hebben. Niemand zou me horen. Ik zou opgesloten zitten. Ik zou niets zien en niet kunnen ademen of bewegen.
‘Doe dit alsjeblieft niet,’ zei ik en door de wanhoop werd mijn stem heel zacht.
De James Dean keek naar me.
‘Het lijkt alsof ze spijt heeft,’ zei hij tegen zijn vrienden. ‘Beloof je het nooit meer te doen?’
Ik knikte verwoed. Mijn neus begon te lopen en ik veegde hem met de achterkant van mijn hand af.
Hij keek naar me en schudde zijn hoofd. ‘Nee, niet goed genoeg. Het arrestantenhok in.’
Zijn vrienden moesten lachen toen hij me vastgreep en ineens vocht ik zo hard als ik kon, sloeg met mijn armen en schopte met mijn benen. Maar hij was zo veel sterker dan ik dat hij met gemak mijn armen op mijn rug hield, me optilde en naar het kluisje droeg.
Toen sneed er een stem door de menigte.
‘Ralph, wat doe je?’
Ralph draaide zich om, draaide mij met zich mee, en ik zag Alex staan. Ze droeg een cheerleaderpakje en de jas van een of andere gozer met het schoolembleem erop om haar schouders gedrapeerd. Mensen stapten opzij om haar erdoor te laten en staarden naar haar, zoals altijd. Zelfs op die leeftijd had Alex die macht.
‘Hai schatje,’ zei Ralph, waarna hij verkondigde: ‘Dat is nou de enige brugklasser die hier mag komen.’
‘Amen,’ zei een andere jongen eerbiedig.
‘Laat haar los,’ beval Alex, en plotseling werd ik losgelaten. Ik viel op de grond en scharrelde als een krab weg van Ralph.
Ik voelde de energie in de menigte veranderen. De aandacht van de jongens was nu op Alex gericht. Hun alfadier was vervangen.
‘We zijn gewoon aan het dollen,’ zei Ralph. Hij sloeg zijn armen over elkaar en duwde zijn vuisten onder zijn biceps zodat ze groter leken. ‘Wat kan het jou trouwens schelen?’
Maar zijn stem klonk lang niet zo baldadig meer. Hij snakte naar Alex’ goedkeuring. Hij wilde dat ze hem aardig vond.
‘Dat is mijn tweelingzus,’ zei Alex. ‘Kom, Lindsey.’
Ik stond op en haastte me naar haar toe. Toen we wegliepen, hoorde ik het gemompel.
‘Tweelingzus?’
‘No way.’
‘Weten ze zeker dat het echt een zus is en niet de hond?’ zei een van de jongens, en applaus en gelach echode door de gang.
Alex verstijfde naast me en hield haar pas in. Ik zag haar worstelen met de neiging om de jongens de mond te snoeren. Om me te verdedigen.
Ik stond naast haar, nog bevend van angst en woede, mijn maag kwam in opstand, en hoopte dat ze het zou doen. Ik wilde dat zij ook pijn zouden voelen, dat ze wisten hoe het was om voor een hele menigte te worden vernederd. Alex was goed in replieken. Het zou zo makkelijk voor haar zijn om uit te halen en ervoor te zorgen dat ze wilden dat ze me nooit hadden lastiggevallen. Dan zou Ralph degene zijn om wie iedereen lachte.
Maar Alex liep door. Ze liep gewoon door.
Op dat verschrikkelijke moment wist ik dat ze haar opties had afgewogen en had besloten dat het het niet waard was om haar eigen populariteit op het spel zetten om voor mij op te komen. Die prijs was te hoog. Tot een bepaald punt zou ze me verdedigen, maar verder dan dat ging ze niet.
Ik haatte haar erom.
Maar niet zo erg als ik mezelf verfoeide omdat ik haar nodig had gehad.
‘Gaat het?’ vroeg Alex toen we buiten gehoorsafstand waren.
‘Best,’ zei ik kwaad en ik sloeg mijn armen strak om mijn lijf.
‘Het zijn een stelletje eikels,’ zei ze. ‘Vooral die Ralph.’
Hoe wist ze hun namen? Hoe wisten ze allemaal wie zíj was? Ik verdwaalde nog in de eindeloze gangen van onze school terwijl Alex de helft van de ouderejaars al om haar pink had gewonden. De mannelijke helft. De middelbare school zou net zo worden als de basisschool, de kleuterschool, de zomers bij het zwembad en elk kamp, elke tandartsafspraak en verjaardagsfeestje waar we ooit waren geweest: Alex was de ster en ik bevond me niet eens in haar zonnestelsel. Hoe had ik zo stom kunnen zijn om te denken dat het anders zou zijn? Hoe had ik kunnen hopen dat ik op zo’n grote school mijn eigen plekje zou hebben, mijn eigen vrienden en mijn eigen plek om te schitteren?
Dit was Alex’ schuld. Het was allemáál Alex’ schuld. Ik leek alleen maar lelijk in vergelijking met háár. Ik wist diep vanbinnen dat ik niet bloedmooi was, maar ik was ook niet afschrikwekkend. Ik was gewoon… onopvallend. Misschien zou ik een kilo of vijf minder mogen wegen, maar toch. Ik zat dichter bij mooi dan bij lelijk. Maar naast Alex was ik alleen maar één grote teleurstelling. Een onaangename verrassing. Een genetische grap.
‘Ik red me wel,’ zei ik en ik veegde mijn neus weer af. ‘Laat me met rust.’
‘Je met rust laten?’ zei Alex. ‘Ik heb je net gered.’
‘Bedankt voor al je hulp,’ had ik op sarcastische toon gezegd en ze staarde me na terwijl ik wegstormde.
Dat was nu vijftien jaar geleden en ik zag nog steeds voor me hoe Ralphs bovenlip tot een grijns krulde vlak voordat hij me vastgreep, hoe een mollig joch toekeek met een mengeling van walging en opwinding op zijn gezicht en het geluid van de lachende menigte toen iemand me een hond noemde.
Dat hele jaar ben ik nooit meer in die gang geweest.
In sommige opzichten was het reclamewereldje van New York net als de middelbare school. De roddels werden natuurlijk per BlackBerry of bij een glaasje martini in de Velvet of Sugar in plaats van door middel van opgevouwen briefjes verspreid, maar de tamtam werkte er net zo goed. Als ik bleef, zou iedereen in het vak weten hoe ontzettend ik het verpest had. Het zou een permanente voetnoot op mijn cv zijn: Lindsey Rose, de vrouw die na werktijd een op een met haar mannelijke werknemers vergadert. Kleding niet verplicht. Het zou me voor altijd blijven achtervolgen, ik zou altijd de flikkering van herkenning in de ogen van mijn collega’s zien als ze voor het eerst mijn naam hoorden.
Zouden mijn toekomstige bazen me in de gaten houden als ik me in de buurt van mannelijke ondergeschikten bevond? Zou een eenvoudige aanraking of een positieve beoordeling het geroddel weer opnieuw aanwakkeren?
Ik was mijn hele leven bezig geweest iemand te worden die bewonderd en gerespecteerd werd. Ik kon het niet verdragen om dat kwijt te raken, dus ik kon niet in New York blijven.
Matt zat nog steeds naast me op de bank naar me te kijken.
‘Ik denk niet dat ik in New York opnieuw kan beginnen,’ zei ik uiteindelijk. ‘Ik moet ergens anders heen. Ik moet naar huis.’
En met die woorden voelde ik, diep vanbinnen, een piepklein sprankje van mijn oude vastberadenheid.
Thuis, waar iedereen nog dacht dat ik succesvol was. Thuis, waar mijn ouders ervan uitgingen dat ik de beste deal voor ze bedong als ze een nieuwe auto kochten en de juiste aandelen uitkoos voor hun pensioen, waar de buren altijd naar mijn laatste zakenreizen en campagnes vroegen. Thuis, waar Bradley altijd van me hield en misschien nog steeds.
Ik ging me niet voor altijd onder de dekens verstoppen. Ik was nooit een mislukkeling geweest en daar ging ik nu verdomme ook niet mee beginnen.
Ik zou een manier bedenken om mijn terugkomst uit te leggen en zou mijn leven weer op de rails krijgen. Misschien werd ik niet snel vicepresident, maar een goede baan zat er wel in. Ik zou me weer omhoogwerken. Ik zou nog steeds alles kunnen krijgen waar ik ooit van had gedroomd, alles wat ik ooit had gewild. Wat daar ook voor nodig was.